Zwerf lekker lang door de prehistorie
8800 V. Chr. – 12 V. Chr. Ga mee op reis, héél ver terug in de tijd naar het kamp van de jagers-verzamelaars, de eerste boeren, de bronstijd en de ijzertijd.
Wat kun je allemaal doen in de prehistorie?
Vaar in een echte boomstamkano
Laat je schminken als een echte jager
Versleep een Hunebedsteen
Wat kun je allemaal meebeleven in de prehistorie?
5300 – 2000 v. Chr.
Ruim 7000 jaar geleden maakt de leefwijze van de jager-verzamelaars langzaamaan plaats voor een nieuwe manier van leven. Mensen gaan zich vestigen op één plek, en bewerken de grond rond hun erf. De eerste boeren onderhouden akkers waarop peulvruchten, maanzaad en verschillende vroege graansoorten, zoals emmer en eenkoren, worden geteeld. Ook vlas wordt verbouwd, zodat er lijnzaad is en linnen geweven kan worden. Hoewel de jacht en visvangst nog steeds belangrijk zijn, houden deze eerste boeren zelf wat vee. De hond is er ook. Omdat deze mensen niet meer steeds verhuizen, zijn hun woningen duurzaam en hebben ze meer huisraad. Men maakt rond-bolle aardewerk potten die zijn versierd met een heel kenmerkend motief: slingerende of zigzaggende banden zijn in de klei gekerfd. De cultuur van de eerste boeren is naar dit aardewerk genoemd: lineaire bandkeramiek.
5300 – 2000 v. Chr.
Een paar duizend jaar later vestigen zich boerengemeenschappen in het noordelijke gedeelte van Nederland. Deze behoren tot de cultuur van de trechterbekers, die zich uitstrekt van West-Nederland tot aan de Oostzee. Trechterbekers zijn kenmerkende bekervormige potten op een rechte bodem met een wijd uitlopende rand. De bol van de beker is vaak versierd met stippeltjes of streepjes. Aardewerk blijft in de bodem goed bewaard; veel andere materialen vergaan in de loop van de tijd. Er worden echter ook andere sporen gevonden. Van de trechterbekerboeren zijn bijvoorbeeld barnstenen kralen ontdekt.
Hunebed
De trechterbekerboeren zetten de doden bij in een grafkamer. Deze is gemaakt van gigangtische stenen, die zijn bedekt onder een laag aarde. Zo’n bijzetting is een belangrijk ritueel, dat uitgebreid wordt gevierd. Er worden grafgiften meegegeven, zoals allerlei voedsel en sieraden. Hierdoor weten we dat deze mensen in een hiernamaals geloven.
2000 – 800 v. Chr.
Het gebruik van een nieuw materiaal markeert het begin van een nieuw tijdperk: de bronstijd. Het boerenbedrijf blijft de voornaamste bestaansgrond, maar de jacht vermindert wel sterk. De boeren houden meer vee: runderen, schapen, geiten en varkens. Door de benutting van de trekkracht van dieren, en door het gebruik van wol en melk wordt het agrarische bestaan nu lucratiever. Het gesettelde leven zorgt ook dat mensen zich met meer zorg gaan kleden: in geweven stoffen met verschillende kleuren en motieven.
Brons is geen heel sterk metaal, maar geschikt genoeg voor gereedschappen en zeker voor sieraden. Het is een luxeartikel, men ontleent er status aan. Een nieuwe uitvinding is het zwaard: een voorwerp dat puur een wapen is; het heeft geen andere functie. Pijl en boog of speer zijn ontstaan als jachtwerktuig.
Uit deze periode zijn vele mysterieuze vondsten bekend, waarvan de betekenis niet altijd duidelijk is. We veronderstellen dat religie in de bronstijd een grote rol speelt. Moerassen, vennen en rivieren zijn daarbij blijkbaar belangrijk. Bronzen zwaarden, kralensnoeren en gewurgde slachtoffers zijn daarin achtergelaten, mogelijk om goden of vooroudergeesten te bezweren.
800 – 12 v. Chr.
IJzer is zeer geschikt voor sterke gereedschappen. Ruim drieduizend jaar geleden slaagt men er in om ijzer te winnen uit erts en dit te bewerken. Enige eeuwen later wordt er ook in ons land smeedwerk gemaakt, het begin van een nieuwe tijd. In de ijzertijd wordt, mede met behulp van de ijzeren ploegschaar, de akkerbouw en veeteelt verder geïntensiveerd waardoor de bevolking aangroeit. Boeren houden runderen voor vlees en melk, maar ontlenen ook status aan hun dieren. Die vertegenwoordigen kapitaal.
Mensen gaan op zoek naar nieuwe landbouwgronden en maken drassige terreinen bouwrijp door de aanleg van de eerste waterwerken zoals dammen, duikers en terpen. Families en verwanten vormen groepen die elkaars grond betwisten. We spreken over volken en stammen, Galliërs, Kelten en Germanen. Uit bijzettingsgiften in graven is te zien dat er nu grote verschillen in sociale status ontstaan. Zeer rijke mensen dragen sieraden van goud of bijzondere kralen en ze gebruiken bronzen vaatwerk. Het paard doet zijn intrede, een krachtig werkdier en vervoermiddel. Bij archeologische opgravingen zijn paardenbitten teruggevonden. Gespecialiseerde ambachtslieden zijn er nog nauwelijks. Al het werk wordt voornamelijk uitgevoerd als onderdeel van het boerenbestaan: van smeedwerk tot pottenbakken, van kaasmaken tot linnen en wol weven.