Duik diep door de middeleeuwen
406 N. Chr. – 1500 N. Chr. In het middeleeuwse stadje Gravendam leef je in de 14e eeuw. In de ambachtshuizen wordt hard gewerkt.
Wat kun je allemaal doen in de Middeleeuwen?
Maak een kaarsje bij de imker
Leer boogschieten
Laat je zwaardvechtkunsten zien
Maak een armbandje van vilt
Wat kun je allemaal meebeleven in de Middeleeuwen?
In deze hutkom uit de negende eeuw werkt de mandenmaker. De manden worden van riet of wilgenteen gemaakt, en door bepaalde behandelmethoden kunnen er verschillende tinten aan gegeven worden, van lichtblond tot zeer donker. Deze hutkom dient alleen voor het werk, de mandenmaker slaapt elders.
De stad heeft een eigen militie stadswachten en schutters. In veel steden zijn volwassen mannen verplicht om bij toerbeurt een aantal dagen per jaar dienst te doen. Om het boogschieten te oefenen is er een schietbaan die doelen wordt genoemd.
De tingieter maakt in zijn werkplaats onder andere de fameuze insignes. Pelgrims nemen deze kleine souvenirs mee terug van hun reis. Maar ook allerlei andere insignes zijn populair. Bijvoorbeeld twee trippen, slippers, om huwelijkse trouw te symboliseren, of een kam als teken van Sint Blasius die je keel beschermt. Ook behoorlijk ondeugende voorstellingen worden op insignes verbeeld.
De hout- en beenbewerker was een ambachtsman die kleine voorwerpen maakte van hout en dierenbot. Hij maakte bijvoorbeeld keukengerei, speelgoed, toiletartikelen en handwerkmaterialen. Hij gebruikte daarbij een bankschroef, een pompboor, een draaibank en allerlei messen en beitels.
Dit was oorspronkelijk een herdershuis. Nu is hier een selectie van wapens te zien die in deze tijd gebruikt worden. Natuurlijk kan niet iedereen dit soort wapens betalen. Bovendien zijn er ook wapens die alleen door de adel gebruikt mogen worden. Sommige wapens zijn speciaal ontworpen om geharnaste ridders mee aan te vallen, terwijl andere beter werken tegen licht gepantserd voetvolk.
Probeer zelf eens hoe ‘lekker’ een helm zit, pak een zwaard op en doe mee met het zwaardvechten.
De smid maakte benodigdheden voor de bouw, zoals ijzerbeslag en nagels, messen en siervoorwerpen. Wapens maakte hij niet, daarvoor moest je bij de wapensmid zijn. Ook hoefijzers maakte de (grof)smid niet, dat deed de hoefsmid. Zo had elke smid zijn eigen specialisatie en eigen gilde.
De stal is opgetrokken uit authentiek bouwmateriaal. De stal is in feite de parkeerplaats: reizigers kunnen hier hun paard kwijt, en stedelingen met een eigen paard maken er ook gebruik van. In de stal is bovendien ruimte voor wagens. Op zolder wordt hooi bewaard. Naast de stal is een kleine weide om te grazen.
Op deze plaats worden boeven te schande gemaakt. Degenen die slechts een klein vergrijp hebben gepleegd worden in het schandblok gezet. Daar kan iedereen ze zien, en naar wens beschimpen of bekogelen met viezigheid. Zware misdadigers worden ter dood gebracht en vervolgens als lijk op het galgenveld tentoongesteld.
In een middeleeuwse stad werd per week zo ongeveer 2 á 3 keer een markt gehouden. De ambachtslieden in de stad regelden alles voor de markt, de plaats, de tijd, en wie er hun goederen mochten verkopen. Op de markt konden ambachtslieden spullen ruilen en verkopen. De dorpelingen konden er ook hun inkopen doen, die kochten meestal graan, vee, brandhout, eieren, linnen, wijn en melk van de boeren buiten de stad. De boeren kochten ook spullen op de markt die zij op het platteland niet konden kopen, goederen zoals bier, brood, kaarsen en wapens. De meeste spullen die je in de middeleeuwen op de markt kocht werden in grote aantallen verkocht, graan werd bijvoorbeeld verkocht per schepel, dat staat voor 28 liter.
Het was niet toegestaan te handelen op de markt in de middeleeuwen voordat de marktbel was gegaan, deze bel stond meestal op het marktplein en gaf het signaal voor de start van de markt.
Op het toernooiveld wordt tijdens speciale gelegenheden een riddertoernooi gehouden. Kijk in de evenementenkalender wanneer het volgende riddertoernooi plaatsvindt.
Het riddertoernooi is oorsprokelijk een gevechtstraining maar ontwikkelt zich tot een geliefd evenement: een vertoon van welstand, rijkdom en ridderlijkheid dat velen in de hoge kringen plezier verschaft. Het is een spel met winnaars en verliezers; het is nooit de bedoeling dat er doden vallen, hoewel dit natuurlijk wel eens voorkomt.
In Archeon wordt de toernooivorm ‘pas d’armes’ uitgevoerd. Daarbij daagt een ridder of groep ridders iedereen die passeert uit voor een gevecht. het gevecht wordt uitgevoerd met lansen. Er geldt een puntensysteen. Harde klappen uitdelen of het breken van de lans van de tegenstander scoren. Soms wordt het toernooi geopend met een ‘melee’, gevechten tussen zwaardvechters te paard, zo mogelijk met vele ridders tegelijkertijd binnen het toernooiveld, vechtend in twee partijen of kriskras door elkaar.
De koopman had een veel luxer huis dan veel andere ambachtslieden. De handel bestaat uit textiel, vaatwerk, lokaal rood aardwerk en het uit het Rijnland afkomstige grijs-witte steengoed. Dat de koopman hier goed aan kon verdienen is te zien aan het huis dat hij zich kon veroorloven.
Het huis is geheel van steen, met tegels op het dak en op de vloer. Het is verdeeld in verschillende ruimtes met voorin een ontvangstruimte waarin de handelswaar te koop is voor klanten. Deze ruimte is versierd met prachtige muurschilderingen. Achterin zijn privé-vertrekken met bovenin een slaapkamer en daar onder een keuken. Beide vertrekken hebben een inpandig secreet en dat loost op een beerkelder onder het huis. Alle ruimtes van dit luxe huis beschikken over een riante haardplaats. In veel steden zijn de bepalingen omtrent vuur streng want men is beducht voor stadsbranden. Voor elke haardplaats moet belasting betaald worden.
Dit is de meubelmaker. Hij wordt schrijnwerker genoemd, aangezien schrijnen, kisten, belangrijke meubelstukken zijn. Hij werkt uitsluitend met houtverbindingen, zonder spijkers, schroeven of houtlijm. Dit pand is een interpretatie naar bouwhistorisch onderzoek in het Oudste huis van Edam dat is gedateerd op 1530 AD. In de Herestraat van Gravendam zijn in totaal vijf interpretaties van datzelfde huis gerealiseerd. Op deze manier is goed te zien dat onderzoeksresultaten op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd. Het huis van de schrijnwerker is het eenvoudigst. Het is, op de schoorsteen na, geheel van hout en heeft een vloer van zeeklei.
Vroeg in de ochtend kneedt de bakker het deeg en stookt de oven op die achter het huis staat door rijshout te verbranden. Als het brood gebakken is, blaast hij op zijn hoorn en komt iedereen zijn bestelling ophalen. In de restwarmte van de oven worden eventueel nog pasteien gebakken. Dit huis is één van de interpretaties van het Edamse huis. Het heeft geen schoorsteen, maar een rookluik in de zoldering boven de haard.
Aan het uithangteken herkent u de barbier-chirurgijn: het is een laatstok en een scheer of aderlaatbekken, die beiden gebruikt wordt bij het aderlaten. Deze ambachtsman is apotheker, dokter, drogist, kapper en tandarts tegelijk. Hij werkt met de humorenleer, volgens welke het lichaam gezond blijft door het handhaven of herstellen van het evenwicht tussen de vier lichaamssappen of humoren: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Dit huis is een van de interpretaties van het Edamse huis. Alleen het voorste gedeelte, de werkplaats, is toegankelijk voor publiek. Achter het huis is een kleine humorentuin aangelegd, verdeeld in vier perken.
Schoenen worden binnenstebuiten genaaid en tenslotte gekeerd; ook de zool is van een enkele laag leer. Bij nat of koud weer draagt met trippen over de schoenen, een soort slippers met een houten zool. Schoenen zijn betaalbaar voor vrijwel alle stedelingen, en ze slijten hard, dus de schoenmaker heeft altijd werk. Hij heeft geen voorraad schoenen; alle schoeisel wordt op bestelling gemaakt.
e wever vervaardigt stoffen van wollen of linnen garen. In de tuin achter het huis staat een aantal verfplanten. Het benodigde garen wordt gesponnen op het spinnewiel. Het horizontale weefgetouw is een uitvinding uit de dertiende eeuw. Er wordt hiermee sneller gewerkt,
maar ingewikkelde patronen worden niet meer geweven. Dit huis is één van de interpretaties van het Edamse huis.
Dit enorme gebouw wordt bewoond door de minderbroeders. Zij vormen een bedelorde, in navolging van Sint Fransiscus. Dat betekent dat zij aardse bezittingen afwijzen. Dit is een reconstructie van het minderbroederklooster dat in het centrum van Dordrecht is opgegraven, dat dateert uit 1350. Gerealiseerd zijn een deel van de kloostergang, de keuken, de refter (eetzaal) en de dormter (slaapzaal). Oorspronkelijk zijn er meer ruimtes en gebouwen geweest, onder meer een preekschuur (kerk) waar veel mensen de preek konden bijwonen, een brouwerij voor eigen consumptie bij de maaltijd en een pandhof (kruidentuin).
De kruidentuin van de broeders heeft een geometrische vorm, de perken zijn rond een kruisvorm gegroepeerd. Een dergelijke tuin word meestal geheel omsloten door kloostergangen. In de vakken worden keukenkruiden en medicinale planten gekweekt. Ken jij alle kruiden?